Huwelijk

Het huwelijk wordt een ‘verbond’ genoemd. Verbond heeft in de Bijbel te maken met de band van liefde en trouw die God met zijn volk aangaat, voor altijd (Jes. 54, 10; Ez. 37, 26-27). Op grond van hun ja-woord zijn man en vrouw geroepen om als gehuwden een levenslange wederzijdse band aan te gaan. In de trouwbelofte wordt ook gezegd: ‘al de dagen van ons leven’.

De liefde en trouw in het huwelijk zijn beeld van de liefde van God voor zijn volk (verbond). De apostel Paulus schrijft: ‘Man en vrouw zullen één vlees zijn. Dit geheim heeft diepe zin. Ik voor mij betrek het op Christus en de Kerk’ (Ef. 5, 32). Het huwelijk is dus beeld van de band tussen Christus en zijn Kerk. Het sacrament van het huwelijk is teken van Gods liefde en geeft als werkzaam teken tevens de kracht aan gehuwden om in eenheid hun belofte van liefde en trouw gestand te doen.

In het huwelijk zijn man en vrouw geroepen om samen door het leven te gaan, en samen – over en weer – de rechten en plichten van het huwelijk in trouw te bewaren en te volbrengen. Dit betekent dat man en vrouw werkelijk deelhebben aan elkaars leven: dat zij elkaars welzijn en geluk voor ogen hebben, en dat zij als gehuwden bereid zijn ouders van kinderen te worden. Een gelovig gezin wordt ook wel ‘huiskerk’ genoemd, omdat daar het geloof samen beleefd en verdiept kan worden in gebed en wederzijds hulpbetoon, tot opbouw van de Kerk en de samenleving.