De Abdij van Park in Heverlee – Erfgoedsite en museum

Interieurzicht van het koor van de abdijkerk, 13de-18de eeuw.

De norbertijnenabdij van Park is een bijzondere oase, een plek van ingetogenheid, rust en stilte. Een open ruimte met landerijen, dreven, vijvers en weiden, die uitnodigt voor een wandeling. De Parkabdij is echter meer dan een groene long in de stadsrand van Leuven. Het is een ongemeen waardevolle erfgoedsite met een lange en boeiende geschiedenis, waar gebouwen en landschap elkaar vinden in volstrekte harmonie. Als geheel – klooster en domein – heeft de abdij een grote authenticiteitswaarde.

Het lot heeft bepaald dat het abdijdomein vandaag nog 42 ha telt. Dit minidomein, een bijzonder historisch restgebied, bezit nog alle onderdelen van de Ancien Regime-abdij. De gaafheid van het geheel – sinds het einde van de achttiende eeuw is niets meer bijgebouwd noch afgebroken – maakt de Parkabdij tot één van de best bewaarde abdijsites in België en Nederland.

Het huidig uitzicht is voornamelijk zeventiende- en achttiende-eeuws, maar de plattegrond van de site met de bebouwingspatronen en het cultuurlandschap met de vijvers zijn middeleeuws. De watermolen dateert van 1534. Tiendenschuur, wagenhuis en stallingen kwamen er in 1663-1664 in opdracht van abt Libert de Pape. De laatste grote bouwcampagne dateert van het abbatiaar van Hieronymus de Waerseghere. Hij gaf het abtskwartier van het klooster zijn huidig uitzicht, verbouwde het merendeel van de poorten en de kerk en liet de kerktoren (1730) optrekken. Nadien stokten de bouwactiviteiten voorgoed en groeide de abdij van Park uit tot een erfgoedsite van internationaal belang.

De vroegste iconografie van de abdij van Park gaat terug tot het prille begin van de zeventiende eeuw. Oudere afbeeldingen zijn niet bekend. We mogen er van uitgaan dat de plattegrond van de abdij rond deze periode reeds vastlag. Recent bouwhistorisch onderzoek dateerde het houtwerk van de dakkap van de vleugel van de prelatuur omstreeks 1448.

Het bouwproject van de abdij van Park werd gedragen door vele handen. Eerst en vooral door de abdijgemeenschap zelf: kanunniken en lekenbroeders, maar ook door vele leken die werkten voor de abdij. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw – mede door de sterk verminderde recrutering – hadden de norbertijnen van de abdij van Park het moeilijker om hun patrimonium in stand te houden.

Daarom beslisten ze in 2003 om een groot deel van de abdijterreinen in erfpacht te geven aan de stad Leuven. Nog datzelfde jaar werd het Museum Abdij van Park: Museum voor Religieuze Kunst- en Cultuur Vlaanderen opgericht. Sedertdien wordt voor de site resoluut de erfgoedkaart getrokken.

In 2007 actualiseerde de afdeling Onroerend Erfgoed van het ministerie van Ruimtelijke Ordening van de Vlaamse Gemeenschap de bescherming als monument van de gebouwen en omliggende gronden van de abdij van Park, die al dateerde van de jaren 1940.

De restauratie van de abdij en de herwaardering van het groene domein gebeurt met respect voor de bijzondere uitstraling – de geest van de plek -van het historische geheel. Dit vergt een gemeenschappelijke benadering van de gebouwen en hun landschappelijk waardevolle omgeving. Hiervoor werd in nauw overleg met alle betrokken partijen in 2004 een algemeen plan opgesteld. Het is dit plan dat de komende decennia wordt uitgevoerd.

De eerste fase is nu afgerond met de restuaratie van het spreekhuis waar de permanente tentoonstelling van het Museum Abdij van Park onderdak heeft gekregen. Ze vertelt het levensverhaal van Norbertus van Gennep, de institutionalisering en expansie van de orde, met bijzondere aandacht voor de geschiedenis van de abdij van Park. Die tentoonstelling bezoeken we eerst. Nadien kan u de andere waardevolle kunstschatten van de abdij ontdekken en kan u kennismaken met het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur, eveneens gehuisvest in de Parkabdij, dat zich profileert als de centrale erfgoedsite voor het religieus erfgoed in Vlaanderen


Inhoud

  • Norbertus, de norbertijnen en de abdij van Park
  • De abdij van Park
  • Het museum opent de deuren
  • Epiloog
  • Praktisch

NORBERTUS, DE NORBERTIJNEN EN DE ABDIJ VAN PARK

DE PERMANENTE TENTOONSTELLING

De twaalfde eeuw was een eeuw van kloosterstichtingen en van grote (Gregoriaanse) hervormingen binnen het West-Europese kloosterwezen, waarvan de wortels teruggingen tot de allervroegste middeleeuwen. In Frankrijk ageerde de hervormer Eernardus heftig tegen de gevestigde waarden van de benedictijnen van Cluny. In het kielzog van de cisterciënzers van Bernardus opereerde ook Norbertus van Gennep, stichter van de norbertijnen. Hij trok al predikend rond. In het noorden van Frankrijk in Prémontré stichtte hij op Kerstdag 1121 de grote moederabdij van de norbertijnen. De stichtingspiaars gaf aan de norbertijnen de roepnaam premonstratenzers. In 1124 vertrouwde de bisschop van Laon het Sint-Martinuskapittel van Laon toe aan Norbertus. Meteen was de Sint-Martinusabdij van Laon geboren, van waaruit enkele jaren later de abdij van Park werd gesticht.

WANDERPREDIKER EN ORDESTICHTER

Norbertus werd rond 1080/1085 geboren als kind van de heer van Gennep, een heerlijkheid in het grensgebied van het huidige Nederlands Limburg en Duitsland. Als jongere zoon was hij door zijn familie voorbestemd voor een kerkelijke loopbaan. Begin twaalfde eeuw werd Norbertus kanunnik en subdiaken in het seculier kapittel van Xanten in Duitsland. Vanuit zijn positie in Xanten werd Norbert geïntroduceerd aan de hoven van aartsbisschop Frederik I van Keulen en Hendrik V, koning van het Heilig Roomse Rijk. Norbert wist zich zeer goed te schikken in zijn rol binnen de bisschoppelijke en koninklijke entourage.

De strijd tussen de hoogste kerkelijke instantie en de Duitse wereldlijke macht liet een grote indruk na op Norbertus. In het tweede decennium van de twaalfde eeuw raakte hij in een diepe persoonlijke crisis en hij besloot zijn leven om te gooien. Hij wilde terug naar de essentie: de weg van armoede en prediking die Jezus had gevolgd. Als laatkomer in deze periode van hervormingen, ging ook Norbertus op zoek naar meer authentieke vormen van christelijk leven. Hij kwam in contact met verschillende hervormingsgezinde geestelijken, waaronder abt Kuno van de benedictijnenabdij van Siegburg.

Eens hij zijn strengere en meer ascetische levensstijl had omarmd, kon Norbert moeilijk aarden binnen de wereldse kanunnikengemeenschap in Xanten. Norbert trok zich als kluizenaar terug en werd in Xanten actief als prediker van boete en bekering tot de kerkelijke autoriteiten hem in 1118 terechtwezen. Nadien trok hij als arm rondtrekkende predikant (wanderprediker) doorheen het ruime grensgebied tussen het huidige Nederland, Duitsland, België en Frankrijk.

Na de drastische ommekeer in zijn leven kwam Norbertus naar voor als een bezield, charismatisch redenaar, doordrongen van de drang om terug te keren naar het primitieve leven van de eerste christenen en de woestijnvaders. Als prediker was hij een inspirerende figuur die zichzelf en zijn volgelingen vaak erg strenge boetedoening oplegde. In die mate zelfs dat de paus hem aan bisschop Bartholomeus van Laon toevertrouwde om zijn boetedrang niet te laten ontsporen. Een groot theoloog was Norbertus niet. Zijn sterkte lag in zijn charismatische overtuigingskracht en in zijn zoektocht naar authenticiteit, niet in nieuwe of verdiepende visies op theologische thema’s.

De beschermheer van Norbertus, bisschop Bartholomeus van Laon, probeerde hem ervan te overtuigen na zijn zwerftochten opnieuw een vaste vestigingsplaats te zoeken. De bisschop bood hem aan het Sint-Maartenkapittel in zijn bisschopsstad te hervormen. Tevergeefs, de nieuwe strenge voorwaarden van Norbertus botsten met de gemeenschap van kanunniken.

Uiteindelijk wist bisschop Bartholomeus Norbertus te overtuigen een eigen stichting op te starten. Hij regelde voor Norbertus een stuk grond in het dal van Prémontré, een twintigtal kilometer ten westen van Laon. Op Kerstdag van het jaar 1121 werd de gemeenschap er officieel geïnstalleerd.

Ondanks zijn lange omzwervingen en strenge kritiek voor sommige seculiere kapittels keerde Norbertus zich nooit af van het kanonikale leven. Als kanonikale orde hielden de norbertijnen bijgevolg sterk aan de tradities van apostolaat, ascese, pastoraal en liturgie. Het mag dan ook niet verbazen dat Norbert niet de monastiek geïnspireerde regel van Benedierus als grondslag koos, maar wel de kloosterregel van de kerkvader Augustinus (354-430).

Norbertus poogde een reguliere gemeenschap van kanunniken op te bouwen naar het model van zijn eigen strenge levenswijze. Boete, vasten, armoede en stilzwijgen stonden dan ook centraal binnen de prille communauteit van Prémontré. Eveneens conform de ideeën van Norbertus en naar het voorbeeld van de eerste christelijke gemeenschappen was de communauteit van Prémontré gemengd, bestaande uit priesters, broeders en zusters, zij het strikt gescheiden van elkaar.

De vestiging van de gemeenschap in Prémontré, het eerste klooster van de norbertijnen – naar hun wit kloosterkleed ook wel witheren genoemd – maakte allerminst een einde aan de omzwervingen van Norbertus. Ook na 1121 bleef hij veel reizen, onder meer om de expansie van zijn jonge stichting te bevorderen. In 1126 trok hij naar Rome en verkreeg er de pauselijke goedkeuring van zijn onderneming.

Norbert werd in 1126 benoemd tot nieuwe aartsbisschop van Maagdenburg. Van daaruit kon hij de verspreiding van het christendom naar het oosten helpen bevorderen. Zijn stichtingen in het westen bleven enigszins verweesd achter. Norbertus stierf op 6 juni 1134. Paus Gregorius XIII nam in 1582 zijn naam op in de heiligenkalender. Zijn lichaam werd later in 1626-1627 van het gereformeerde Maagdenburg naar het katholieke Praag overgebracht.


DE GLASRAMEN VAN JAN DE CAUMONT

Tussen 1635 en 1644 maakte de Leuvense glazenier Jan de Caumont in opdracht van prelaat Jan Maes 41 glasramen (225 cm x 135 cm) voor de verschillende traveeën van de vier pandgangen. Elk glasraam stelde een scène voor uit het leven van Norbertus. De kwellende onzekerheid in de periode tussen de opheffing door de Franse republikeinen in 1796 en de heroprichting van de abdij in 1836 deed de moegetergde kanunniken in 1828 besluiten hun schat aan brandglas voor 18.000 franken te verkopen. Na tal van omzwervingen keerden zeven exemplaren terug naar de abdij. Zij werden gegroepeerd in de oostelijke pandgang. In totaal konden 30 glasramen worden gelocaliseerd.

Elk glasraam draagt de abdijleuze Ne quid nimis, in het Nederlands: Houd mate, Niets te veel. Een uitspraak die voor de kanunniken de essentie van het kloosterwezen samenbundelt. Alle glasramen dragen eveneens het embleem van de abdij: de zogenaamde Parkbloempjes.

Niet alleen vele glasramen verdwenen in de diaspora maar ook schilderijen, liturgische vaatwerk, originele lambrizenngen enz.


INSTITUTIONALISERING EN EERSTE EXPANSIE

De institutionalisering van de norbertijnenorde verliep bij aanvang eerder moeizaam. Het vertrek van Norbert naar Maagdenburg was nefast voor de eenheid tussen de pas gestichte abdijen. Slechts met tegenzin werd Norbert overtuigd om in Prémontré een opvolger, Hugo Van Fosses (1093-1164), aan te stellen. Samen met vijf andere abten werkte deze een structuur uit voor de orde. Ze namen in grote mate het organisatorisch model van de cisterciënzerorde over. Elke abdij vormde een zelfstandige entiteit onder leiding van de eigen abt. Alle abten kwamen jaarlijks bijeen in een generaal kapittel waarin de toestand van de verschillende kloosters aan de orde was. De abdijen waren via moeder-dochterrelaties met elkaar verbonden. Moederabdijen voerden op regelmatige tijdstippen visitaties uit in de door hen gestichte norbertijnen- en norbertinessenkloosters.

In de loop van de twaalfde eeuw kende de norbertijnenorde een indrukwekkende expansie zeker in de Nederlanden. In minder dan vijftien jaren zagen ongeveer vijftig premonstratenzerstichtingen het levenslicht in Europa. Tussen 1121 en 1152 werden onder andere vanuit Prémontré talrijke abdijen gesticht in de Nederlanden. Deze sterke uitbreiding was te danken aan de vrijgevigheid van wereldlijke en kerkelijke heersers of aan rijke families die hun domeinen wegschonken aan nieuwe stichtingen. Prestige, religieuze inmenging en sacralisering van het familiebezit vormden terugkerende motieven, maar de begunstiging paste evenzeer binnen een algemene politiek van verdere ontginning en vormgeving van het landschap en van de uitbouw van een religieuze infrastructuur.

De eerste abdij in de Nederlanden werd in 1121 gesticht in Floreffe. De aanzet voor dertig jaar stichtingsijver was gegeven. De stichting van de abdij van Park in de omgeving van de stad Leuven was een initiatief van Godfried met de Baard, hertog van Brabant. Ze kaderde in een algemene politiek die de hertog en de Brabantse adel tussen 1125 en 1150 voerden om overal in Brabant kloosters te stichten en was uiteraard ook het rechtstreekse gevolg van het optreden van Norbertus in de eerste decennia van de twaalfde eeuw.

DE STICHTING VAN DE ABDIJ VAN PARK

De kloosterstichtingen van de twaalfde eeuw waren een belangrijk maatschappelijk gegeven. Als landsheer van een uitgestrekt hertogdom in het keizerrijk was de hertog van Brabant zich goed bewust van de ontwikkelingen en tendensen. Godfried was graaf van Leuven en Brabant. Sinds 1106 mocht hij zich hertog van Neder-Lotharingen en markgraaf van Antwerpen noemen. Grote delen van zijn hertogdom waren nog niet ontgonnen. De hertog deed hiervoor graag een beroep op de religieuze orden. Hij had zeker ook religieuze bedoelingen maar de economische meerwaarde was nooit echt ver uit de buurt.

In 1125 stichtte de hertog langs de noordelijke uitlopers van zijn residentiestad Leuven de abdij van Vlierbeek. Amper een paar jaar later koesterde de hertog gelijkaardige plannen voor de grote stukken onontgonnen terrein die zich uitstrekten langs de zuidoostkant van Leuven. Werd Vlierbeek nog gesticht vanuit de grote benedictijnenabdij van Affligem dan deed de hertog nu een beroep op de abt van de norbertijnenabdij van Laon in Noord-Frankrijk.

In het jaar 1129/1130 zond de abt van Laon op vraag van Godfried met de Baard enkele norbertijnen naar Heverlee. Zij kregen er het jachtpark van de hertog ter beschikking. Daarom kreeg de nieuwe abdij de naam abdij van Park. In het middelnederlands heette dit abdye van Percke en in het Iatijn monasterium de Parcho. De stichtingsoorkonde met hertogelijk zegel dateert van 1129. De officiële kerkelijke bevestiging door de bisschop van Luik, Alexander van Gulik, volgde in 1131. Snel steeg het aantal religieuzen tot twaalf, het voorgeschreven aantal om een abt te mogen kiezen.

Nog in 1131 slaagde Park erin om zelfstandig te worden van de moederabdij in Laon. Sirnon van Saint-Maurice, kanunnik van Laon, werd de eerste abt. Sirnon en zijn discipelen verrichtten in die beginjaren goed werk. Conform het ideaal van ordestichter Norbertus stortten ze zich op hun leven van contemplatie, apostolaat, armoede en landontginning. Al in 1154 bezat de jonge gemeenschap meer dan 350 ha bos, landerijen en weiden in een dozijn Brabantse dorpen. De kern van dit domein bevond zich in de wijk Park-Heverlee, waar het abdijbezit zich uitstrekte over de gehuchten Vinkenbos, Langendaal, Ten Broeke en Voorde: een omvangrijk aaneengesloten complex dat in het noorden reikte tot aan de Leuvense stadsmuren. In het zuidwesten ging de abdij de concurrentie aan met de heren van Heverlee, tijdgenoten van graaf Godfried. Nog rond dezelfde periode werd de kern gesmeed van het Brabantse netwerk van parochies bediend door norbertijnen van Park.

TIJDENS HET ANCIEN REGIME

In de prille beginperiode waren de kanunniken niet de enige bewoners van de abdij. Park verleende, weliswaar in een strikt gescheiden systeem, onderdak aan zusters-kanunnikessen. Daarnaast waren er ook nog broeders en novicen.

Hierin kwam echter snel een ommekeer, mede door maatschappelijke veranderingen, maar ook onder druk van het centraal gezag in Rome. Nog in de twaalfde eeuw verloor Park, samen met andere abdijen, zijn statuut van dubbelklooster. Ook het aantal lekenbroeders verminderde fel. Dit had als direct gevolg dat de abdij zich nog in de dertiende eeuw genoodzaakt zag om de meeste van haar hoeves in erfpacht te geven aan leken. Nadien volgde dan het systeem van tijdpachten van meestal negen of twaalf werkjaren.

Zo waren de abdijen omstreeks het midden van de dertiende eeuw, in vergelijking met de beginperiode van een eeuw voordien, sterk geëvolueerd. In de aanvankelijke dubbelkloosters met lekenbroeders en zusters bleven alleen de kanunniken over. Bovendien leefde een groot aantal van de kanunniken in de parochies. De abdijen bleven echter steeds de centra waar het koorgebed werd verzorgd, nieuwe leden hun opleiding genoten en van waaruit het domein werd bestuurd. De kanunniken die in de abdij woonden en werkten noemde men binnenheren. Zij die buiten de abdijmuren actief waren als parochiepastoor, onderpastoor of hoogleraar heetten buitenheren.

Omstreeks het midden van de vijftiende eeuw was de stichting van de abdij van Park gestabiliseerd. In de abdij woonden er op dat moment circa dertig kanunniken, novicen, enkele broeders en inwonende dienstlui. Het abdijdomein breidde niet veel meer uit.

De broeders waren geprofeste kloosterlingen die geen priester waren. Aanvankelijk waren ze met velen en voornamelijk actief op de hoeven van de abdij van Park. Eens deze landbouwuitbatingen in hoofdzaak aan pachters werden toevertrouwd, namen de overgebleven broeders vooral handenarbeid binnen de directe grenzen van het kloosterdomein in Park-Heverlee voor hun rekening.

De abt was de hoogste in rang en droeg de eindverantwoordelijkheid zowel voor het geestelijke als voor het tijdelijke. Zeker in het Ancien Regime waren de abten van de abdij van Park invloedrijke figuren, ook buiten de abdijmuren. Na de abt was de prior de hoogste in rang. De subprior en de circator of tuchtmeester stonden de prior bij. Voor het bèheer van de tijdelijke zaken rekende de abt op de provisor, de econoom van de abdij, die ook alle contacten met pachters en leveranciers afhandelde.

Als proost deden de kanunniken van de abdij van Park het geestelijk en wereldlijk beheer van het norbertinessenklooster van Gempe in Sint-Joris-Winge. Dit klooster stond sinds zijn stichting in de dertiende eeuw onder de bescherming van de abdij. Anderen bekommerden zich om het norbertinessenklooster van Leliëndaal bij Mechelen waarvan de abt van Prémontré de vader-abt was.

Medio vijftiende eeuw kwam het monastieke ideaal in Europa in een crisis terecht. Vooral de zogenaamde oude ordes, waaronder ook de norbertijnen vielen, kregen het moeilijk. De kloostertucht verslapte. Ook invloeden van buitenaf, zoals het opdringen van vreemde abten door de centrale overheid, droegen bij tot deze crisissfeer.

In de Parkabdij regeerde omstreeks 1450 abt Willem Van Beringen. Hij besefte het probleem en probeerde terug te grijpen naar het oude kloosterideaal: een leven van gebed en armoede. Hij had het echter moeilijk om zijn wil op te leggen. Om de hervorming een kans te geven, aarzelde hij niet om een stap op zij te zetten. Mede door zijn toedoen werd de procurator van de norbertijnenorde in Rome, de briljante – en op dat moment nog relatief jonge – Diederik Van Tuldel, in 1464 abt van de abdij van Park. Van Tuldel zette de hervorming in en maakte van de Parkabdij opnieuw een gereputeerde instelling.

Zijn streven mondde uit in de voorlopige redactie van nieuwe statuten voor de gehele orde. Dit project werd in 1505 gerealiseerd door zijn opvolger in de abdij van Park Arnold Wijten. Veel later stond een andere Parkabt, Jan Druys, in 1630 aan de wieg van de redactie en de druk van nu definitieve ordestatuten.

EEN NETWERK EXTRA MUROS

Onmiddellijk na de stichting van de Parkabdij in 1129 startten de kloosterlingen met ontginningen en bouwprojecten in Brabant. Doorheen het Ancien Regime hielden ze stevig deze koers aan. Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, toen de abdij onder het abbatiaar van Libert de Pape (1648-1682) zowel spiritueel als economisch een hoogtepunt beleefde, strekte haar grondbezit zich uit over 130 dorpen. In vijftien parochies, met een sterk uitgebouwd kerngebied in het Hageland, had de abt van Park het patronaatsrecht of het recht om de dorpspastoor aan te stellen. In de praktijk betekende dit dat de prelaat één van zijn kanunniken ter plekke detacheerde.

Deze nadrukkelijke aanwezigheid op het platteland laat tot vandaag zijn sporen na in het landschap. Vlaanderen telt nog talrijke monumentale vierkanthoeves, fraaie pastorieën en mooie dorpskerken. Vele hiervan werden gebouwd door de Parkabdij.

Het hart van dit domein bevond zich op het grondgebied van het oude hertogdom Brabant, in een straal van 35 kilometer rond Leuven, met uitlopers naar het noorden (de hoeve van Oirschot) en het zuiden (de hoeve van Pont-à-Celles bij Charleroi). Het eigenlijke bouwland, merendeel vruchtbare Brabantse leemgrond, bedroeg ongeveer 2.472 ha, waarvan er 860 ha werd verhuurd aan kleine boeren. Circa 1.612 ha was verdeeld over 21 grote en middelgrote exploitaties. In de achttiende eeuw bedroeg de gemiddelde bedrijfsoppervlakte ongeveer 89 ha. Een wereld van verschil met de ongeveer 5 ha die de modale neringdoende of kleine landbouwer bewerkte.

Gegroeid uit de middeleeuwse ontginningscentra, toen de Parkabdij nog werkte met lekenbroeders onder leiding van een hofmeester, waren de abdijhoeven echte modelbedrijven die vaak beschikten over de beste gronden van het dorp. Als werkgeefster garandeerde de abdij niet alleen een inkomen aan tientallen pachtersgezinnen, maar ook aan seizoensarbeiders en ambachtslui: lei- en strodekkers, metselaars, steenkappers, schrijnwerkers, smeden, glazeniers, enz.

Centrum van dit systeem was het abdijdomein in Heverlee, van waaruit de provisor de economische belangen van de abdij beheerde. Hier stonden een watermolen, stallingen, schuren, een smidse, brouwerij en bakkerij in voor de opslag en de verwerking van de opbrengsten van de domeinen. Eigen tuinen en vijvers zorgen bovendien voor de nodige voedselvoorziening in de onmiddellijke omgeving van de abdij.

Via haar grote landbouwexploitaties leverde de Parkabdij een belangrijke bijdrage bij de ontginning van het Brabantse grondgebied. Via een haast even omvangrijk netwerk van parochies koppelden de norbertijnen van Park-Heverlee, geheel in de geest van hun ordestichter, hier een ideaal van pastoraal en parochiezorg aan. Dank zij het patronaatsrecht verkreeg de abdij ook parochiale inkomsten.

Ter plekke inde ze de tienden, een soort van directe belasting op de opbrengsten van de boeren in het dorp. Als tegenprestatie kwam de Parkabdij tussen in de onderhoudskosten van het kerkgebouw, de organisatie van armenzorg en onderwijs, en zorgde ze voor het onderkomen van de parochiepriesters. In dit geval meestal kanunniken van het eigen huis. Voor zijn gedetacheerde medebroeders bouwde de prelaat een waardig en ruim onderkomen: de typische premonstratenzerpastorie. De meeste van deze pastorieën dateren uit de tweede helft van de achttiende eeuw.

Kenmerkend voor de bakstenen premonstratenzerpastorie was het rechthoekige grondplan met op de benedenverdieping een brede centrale gang waarop de grote vertrekken, met monumentale schouwen en dikwijls met stucwerk versierde plafonds, uitgaven. Een brede eikenhouten trap leidde naar de kamers op de bovenverdieping. In het dak, meestal bekroond met enkele dakkapellen, kwamen meerdere gemetselde schoorstenen voor. Een hoge omheiningsmuur, met aan de voorzijde een rondbooginrijpoort, overluifd met een leien dakje of ingewerkt in een voorgebouw, omringde het geheel.

De pastoor deelde zijn ruime residentie met een of enkele vicarissen en dienstpersoneel. Samen vormden zij een kleine gemeenschap, een afspiegeling van de abdijgemeenschap, die hen afvaardigde. Vanuit de pastorie organiseerde dit team de zielzorg in de dikwijls uitgestrekte parochies.

REFORMATIE EN CONTRAREFORMATIE

Vanaf de late jaren 1560 deelde de abdij in de klappen van de godsdienstoorlogen. Gezien hun prominente plaats binnen de Statenvergaderingen raakten de abten onvermijdelijk betrokken in het onrustige en gevaarlijke politieke proces van die tijd. Sommigen zoals Karel Van Der Linden of zijn opvolger Ambrosius Loots hadden uitdrukkelijke sympathie voor de hervormingsbeweging en voor de zaak van Willem van Oranje. Abt Loots vluchtte daarom zelfs een tijdje naar het neutraal gebleven prinsbisdom Luik.

De opbrengsten van de domeinen droogden op. Regelmatig kreeg de abdij plunderaars over de vloer. In 1568 vestigde de hertog van Alva, opperbevelhebber van de Spaanse troepen in de Nederlanden, zijn hoofdkwartier in de abdij. Het conflict tussen Spanje en de Nederlanden mondde uit in een ware burgeroorlog en de kanunniken trokken zich terug in hun refugehuis in de Minderbroedersstraat in Leuven. Bij hun terugkeer in 1585 stelde abt Frans Van Vlierden vast dat de kassa leeg was en het klooster zwaar onderkomen. Van Vlierden begon met herstel. Een herstel dat zich in de zeventiende eeuw doorzette onder de abten Jan Druys, Jan Maes en Libert de Pape. Dit triumviraat leidde de abdij van Park naar haar grootste bloeiperiode.

De abdij was in die zeventiende eeuw welvarend, leefde het kloosterideaal goed na en haar abten stonden in hoog aanzien als religieus, diplomaat en intellectueel. Abt Jan Druys had een zeer nauwe band met de aartshertogen Albrecht en Isabella. Als biechtvader en kapelaan – een traditie die ver teruggaat in de tijd – was hij hun vertrouwenspersoon. Druys kwam regelmatig aan de hoven van Brussel en Tervuren. In 1617 maakte hij het nieuwe organiek reglement van de universiteit van Leuven. In 1630 kon hij eindelijk het werk van zijn voorganger Van Tuldel voltooien en onder zijn impuls werden de nieuwe ordestatuten afgewerkt.

De Contrareformatie werd in de abdij van Park gekenmerkt door een opleving van het spirituele en devotionele leven. De abdij raakte onder andere bekend omwille van de verering van de relieken van de heilige Quirinus en stond in de zeventiende eeuw aan de wieg van de stichting van het bedevaartsoord van Onze-Lieve-Vrouw in Jezus-Eik.

Libert de Pape was beloftevol en jong toen hij in 1648 abt werd. Hij loste de verwachtingen in. Hij startte met een grootse bouwcampagne en voerde een administratieve hervorming door in de abdij. Onder zijn bewind werd de nog bestaande hoeve met voorplein opgetrokken. Met de stucwerker Hansche realiseerde hij twee grote stucwerkplafonds in de refter en in de bibliotheek van het klooster.

De achttiende eeuwse opvolgers van de Pape behielden het status-quo. Er werd weinig bijgebouwd of afgebroken. Abt de Waerseghere tekende in de periode 1719-1730 nog voor een belangrijke en laatste bouwcampagne. Hij en zijn bouwmeester, broeder Antoon Thijs, gaven de abdij haar huidig uitzicht.


MEESTER KALKSNIJDER JAN CHRISTIAAN HANSCHE

EX HlS IMMOBILIS VERITATIS!

UIT DIT STUCWERK KOMT DE ONWRIKBARE WAARHEID TE VOORSCHIJN

Geboorteplaats noch plaats van overlijden van Jan Christiaan Hansche zijn bekend. Wellicht was hij van Brabantse afkomst. De meester kalksnijder verwierf naam en faam in de Zuidelijke Nederlanden van de tweede helft van de zeventiende eeuw. Zijn stucwerk doet zeer plastisch aan en sommige voorstellingen zijn haast driedimensioneeL Aan dit technisch vernuft- Hansche verstevigde zijn figuren binnenin onder meer met houten latten en draadwerk – dankte de meester zijn reputatie. Het oudst bekende werk van meester Hansche bevindt zich in de sacristie van de Carolus Borromeuskerk in Antwerpen en dateert van 1653. Nadien volgden opdrachten in de kastelen van Horst, Beaulieu en Modave. In 1669 kreeg de kerk van Franc-Waret (provincie Namen) een stuccoplafondversiering.

In 1672 bracht Jan Christiaan Hansche in opdracht van de invloedrijke en kunstminnende abt Libert de Pape ( 1648-1682) een indrukwekkende plafonddecoratie in stucwerk aan op het tongewelf van de bibliotheekzaal van de abdij. Het zijn uitbeeldingen van de vier evangelisten en de kerkvaders en scènes uit het leven van de heilige Norbertus. Zeven jaar later in 1679 keerde Hansche terug naar de Parkabdij voor de realisatie van een stuccoplafond in de refter. Acht taferelen met centraal het Laatste Avondmaal verwijzen naar scènes die verband houden met eten en gebaseerd zijn op het Oude en het Nieuwe Testament.


Metten: 

omstreeks 5 uur ’s ochtends 

Lauden: 

omstreeks 5.30 uur 

Priemen: 

7uur 

Kapittel: 

7.15 uur, gevolgd door ontbijt 

Tertsen: 

9 uur 

Hoogmis 

Sexten: 

10 uur 

Middagmaal: 

12.30 uur 

Nonen: 

na het middageten 

Vespers: 

15 uur 

Completen: 

20 uur 


HET LEVEN INTRA MUROS

De historische opdeling van de abdijsite in verschillende zones bleef perfect bewaard. Beneden aan de voet van een natuurlijke helling en aansluitend op de Molenbeek en de zone van de vijvers bouwden de norbertijnen het bedrijfsgedeelte met hoeveplein en watermolen. Boven op de top van de helling werd het klooster gebouwd met als ijkpunt in het landschap de kerk en de kerktoren. Op de overgang tussen beneden en boven staat het provisorenhuis. Het geheel werd omringd door poorten en muren.

Het klooster volgde het plan van Sankt-Gallen. Dit gedetailleerd plan dateerde uit het Karolingische tijdvak en werd omstreeks 820 opgetekend in het klooster van Reichenau in Duitsland. Later verhuisde het dan naar het nabijgelegen Sankt-Gallen in Zwitserland.

De plattegrond van het klooster respecteert de logica van de maateenheid van het vierkant. Alle gebouwen abtskwartier, kerk, refter – keuken, warmkamer of scheerkamer, infirmerie en kapittelzaal scharen zich rondom een open vierkante ruimte, het pand of kloosterhof, met daarrond de vier pandgangen.

Op de bovenverdieping van de oostvleugel boven de kapittelzaal, bouwden de Parkkanunniken hun slaapvertrekken. Eerst was dit een grote gemeenschappelijke slaapzaal, later vanaf 1563 waren dit afzonderlijke cellen. Elke cel telde ongeveer twaalf vierkante meter en was conform de gelofte van armoede erg sober ingericht.

Een doorgang naar het koorgedeelte van de kerk, maakte het de kanunniken makkelijker om ’s nachts deel te nemen aan de regelmatige getijden. Kloosters zijn steeds op traditie belust geweest. Daarom dat de Parkheren tot het Tweede Vaticaans Concilie acht maal per etmaal de getijden baden. De tijd tussen de gebedsmomenten werd opgevuld met werk en studie. De buitenheren hadden een andere regime.

Vandaag beginnen de kloosterlingen in de abdij van Park hun dag om 7.15 uur met een ochtendgebed. ’s Middags om 11.45 uur is er de conventsmis met gebed. ’s Avonds vindt om 18.30 uur het avondgebed plaats, gevolgd door een lezingendienst.

DE FRANSE TIJD

In de Zuidelijke Nederlanden eindigde het Ancien Regime abrupt in 1794 met de definitieve militaire overwinning van de Franse revolutionairen. Het nieuwe bewind schafte alle kloosters en abdijen af en verbood de katholieke eredienst. De abdij van Park ontsnapte niet. In februari 1797 viel het doek. De abdij werd gesloten, haar bewoners verdreven en haar goederen en gebouwen geconfisqueerd door de overheid. Dankzij Everard Tops, een stroman, slaagde de kanunniken erin om hun abdij met de omliggende gronden terug te kopen.

In Frankrijk en daarbuiten sloeg de revolutie ondertussen wild om zich heen. Eerst onder het bewind van Napoleon keerde rust enigszins terug. Bonaparte sloot in 1801 een concordaat met de paus. De katholieke eredienst werd opnieuw toegelaten. In 1803 werd de abdijkerk de zetel van de nieuwe parochie: Sint-Jan-de-Evangelist. Voor de abdij betekende dit een reddingsboei, omdat de verdreven kanunniken van dit statuut gebruik maakten om terug te keren naar hun moederabdij om de abdijkerk te bedienen. De abdij kon voorlopig echter niet worden heropgericht.

DE TWEEDE STICHTING IN 1836

De opname in 1815 van de Zuidelijke Nederlanden in het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bracht niet onmiddellijk soelaas voor de religieuzen. Pas met de afkondiging van de liberale Belgische grondwet in 1831, die vrijheid van vereniging en godsdienst voorzag, konden de overlevende kanunniken denken aan de heroprichting van hun abdij. Het duurde uiteindelijk nog tot in 1836 voor dit ook effectief gebeurde.

De tweede stichting van de abdij uit 1836 had het in de beginjaren niet makkelijk. Het grote domein -de economische basis van de welvaart van de abdij in het Ancien Regime-was immers verdwenen. Bovendien hadden de Fransen voor Park, net als voor alle andere religieuze instituten, een onherstelbare breuk met het verleden veroorzaakt. Herstel kwam er in de tweede helft van de negentiende eeuw. In 1870 slaagde abt Aloysius Franck erin om terug de pontificale waardigheid van de abten te bekomen. Onder het abbatiaar van de jong gestorven Franciscus Versteylen (1887-1897) raakte Park opnieuw op kruissnelheid.

Op het einde van de negentiende eeuw sprong de Parkabdij graag mee op de kar van de missionering. In 1897 startte dit verhaal in Brazilië en is nauw verbonden met dat van andere premonstratenzerabdijen in Brabant. Het begon allemaal in 1894 toen paus Leo XIII de norbertijnen opriep om te gaan missioneren in Brazilië. In dit immense Latijns-Amerikaanse land had in 1889 een republikeinse revolutie een einde gemaakt aan het sterk antiklerikaal geerienteerde keizerrijk. Plotseling bood zich een kolossaal werkteerrein aan op het vlak van onderwijs, pastoraal en parochiezorg. Een kolfje naar de hand van de norbertijnenkanunniken, die getrouw aan het orde-ideaal van stichter Norbertus contemplatief kloosterleven combineren met actief pastoraal werk.

De jonge abt Franciscus Versteylen (1887-1897) ging reeds in 1896 tot de actie over en zond Hugo Fesingher naar de missiepost van de abdij van Averbode in Pirapora. Enkele jaren later in 1903 vestigde Park zijn eigen missiepost in het plaatsje Montes Ciaros in het noorden van de staat Minas Gerais. Montes Claros, met nog geen 7.000 inwoners, bevond zich temidden van een toen nog grotendeels onontgonnen gebied. De parochie Montes Ciaros strekte zich uit over tientallen vergeten dorpjes in de brousse. Ze had een oppervlakte van een derde van Frankrijk en telde toen 30.000 zielen. Samen met de zusters van Berlaar begonnen de norbertijnen van Park hier aan een bijzonder missieproject. Ze stonden in voor de pastoraal, bouwden een school en een hospitaal. Voormalig abt Achilles Roggen was de laatste missionaris van Park in Brazilïe. Hij keerde terug in de jaren 1960 en overleed in 2004. Vandaag staat de priorij van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Norherrus op eigen benen. Onder prelaat Frans Swarte kozen de Braziliaanse leden in 2001 voor het eerst een prior in eigen midden.

DE TWINTIGSTE EEUW

De twintigste eeuw bracht voor de abdij van Park een heropbloei. Nog voor het tweede Vaticaans Concilie in 1960-1965 traden verschillende novicen toe tot de abdij toen onder het abbatiaar van prelaat Johannes Versteylen (1937- 1962). Er vormde zich opnieuw een netwerk van parochies bediend door een Parkheer. Andere kanunniken van de abdij kwamen terecht in het onderwijs of werden aalmoezenier. Daarnaast huisvestte de abdij verschillende generaties Leuvense studenten.

Na het tweede Vaticaans Concilie ontsnapte de abdij niet aan de neerwaartse tendens van het kloosterwezen in West-Europa. Het aantal roepingen daalde drastisch en ook in de abdij van Park deed de vergrijzing zich gevoelen. De economische activiteiten van de abdij werden door de jaren heen afgeslankt. Sedert eeuwen was het immense gebouwencomplex in een niet aflatende strijd met slijtage en erosie gewikkeld. Voor de kleiner wordende kloostergemeenschap, zonder lekenbroeders en met weinig personeel, werd het alsmaar moeilijker om deze strijd aan te gaan. De norbertijnen van Park beseften zeer goed dat het van groot belang was om hun erfgoedsite voor de komende generaties te bewaren. Precies daarom besloten ze in te stappen in het verhaal van restauratie, herbestemming, andersgebruik en medegebruik.


DE ABDIJ VAN PARK

EEN KOSTBAAR ERFGOEDSCHRIJN

De Abdij van Park was van bij haar oprichting een oord waar kunsten, letteren en wetenschap in hoog aanzien stonden en werden bevorderd. De opeenvolgende prelaten hadden niet alleen oog voor de bouw en de opsmuk van de eigen abdijgebouwen, maar traden eveneens op als mecenas voor de vele parochiekerken, die van de abdij afhingen en zelfs daarbuiten. Uiteraard waren de uitvoering van grote bouwprogramma’s en de realisatie van een uitgebreid kunsten- en letterenmecenaat sterk afhankelijk van economische bloei en politieke stabiliteit. Kosten noch moeite werden gespaard om de abdijgebouwen, in de eerste plaats de abdijkerk, centrum van het religieuze leven, maar later ook de gemeenschapsruimten, de prelatuur en de representatieve ontvangstruimten van de abdij waardig en smaakvol in te richten en uit te rusten.

HANDSCHRIFTEN EN BOEKEN

De aanwezigheid en de aanleg van een bibliotheekcollectie was ook voor de abdij van Park onontbeerlijk. Ze verwierf handschriften via aankoop of schenking of liet ze kopiëren door bekwame kopiisten in het eigen scriptorium. Vandaag nog worden bijzondere voorbeelden van het schrijftalent van de Parkse scriptoren uit de dertiende en veertiende eeuw bewaard in de eigen handschriftencollectie en in andere collecties wereldwijd. Pronkstuk is ongetwijfeld de rijk verluchte Parkbijbel uit 1148, die sinds 1846 deel uitmaakt van de collectie van de British Library in Londen.

Sinds de vijftiende eeuw deed de abdij voor het kopiëren en inbinden van boeken meer en meer beroep op andere gespecialiseerde schrijfateliers uit de omgeving. Door de grote aangroei van het boekenbestand liet de ondernemende abt Diederik Van Tuldel (1462-1494) de bibliotheekruimte herinrichten en verrijkte hij de collectie op zijn beurt met kostbare handschriften en met de eerste gedrukte boeken. Abt Ambrosius Van Engelen (1515-1543) bestelde voor de abdij een aantal prachtig verluchte liturgische boeken, waaronder een kostbaar missaal uit 1539, dat vandaag wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel.

De boeken- en handschriftencollectie, die in 1504 nog werd geroemd door de bekende humanist Erasmus, breidde door de opkomst van het gedrukte boek fors uit. Daarom liet abt Libert De Pape (1648-1682) in 1672 een nieuwe en ruime bibliotheekzaal boven de refter bouwen. Hij liet ze door de befaamde kalksnijder Jan Christiaan Hansche als een kostbaar en kunstzinnig schrijn voor de letteren versieren.

De opheffing van de abdij door de Fransen en de daaropvolgende periode van twijfel en onzekerheid over de mogelijke heroprichting van de abdij had dramatische gevolgen voor de unieke en zorgvuldig opgebouwde boekencollectie. Het herstofferen van de collectie begon in 1836.

ARCHITECTUUR EN SCHONE KUNSTEN

In de dertiende eeuw gonsde het van bouwactiviteit in de jonge abdij. Tussen 1226 en 1297 verrees een nieuwe abdijkerk en werden de conventsgebouwen opgetrokken rond een vierkant kloosterpand. De nieuwe abdijkerk was nog maar net voltooid of abt Willem van Lubbeek (1289-1306) liet ze met muurschilderingen versieren door de Leuvense schilder Arnold Gaelman. Ook in de pandgangen kregen muurschilderingen met taferelen uit 28 De abdij van Park in Heverlee het leven van de eerbiedwaardige pater Radbodo, kanunnik van de abdij van Park. Meester Johannes leverde vier bronzen klokken. Reeds eerder, in 1261, was de abdijkerk door abt Alardus van Tervuren begiftigd met een verguld reliekschrijn voor de relieken van de heilige Quirinus. In het koor van de nieuwe kerk prijkte de grote dertiendeeeuwse geelkoperen paaskandelaar, vervaardigd in een maaslands atelier, die in 1889 aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis werd verkocht en er sindsdien te bewonderen is.

In de vijftiende en zestiende eeuw volgden nieuwe bouwcampagnes. Bij de verbouwing van de oostelijke pandgang en de kapittelzaal tussen 1558 en 1562 deed de nieuwe renaissancevormentaal zijn intrede in de abdij. De Leuvense schilder Hubert Stuerbout kreeg de opdracht de vernieuwde kloostergang te beschilderen met religieuze taferelen. Fragmenten van deze muurschilderingen werden tijdens een restauratie in 1902 herontdekt en voor een deel bloot gelegd.

Abt Ambrosius van Engelen (1515- 1543), humanist en kunstliefhebber verrijkte het interieur van de abdijkerk met de aankoop van gebrandschilderde glasramen, schilderijen en kerkmeubilair en bestelde ook brandglasramen voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen, het Sint-Catharinaconvent in Breda, het minderbroederklooster in Leuven en het Heilig Geestcollege in Leuven.

Zijn opvolger, prelaat Loclewijk van den Berghe (1543-1558) ging op het zelfde elan door. In de kerk werden nieuwe altaren opgericht. Op het altaar van de heilige Quirinus werd een geschilderd altaarstuk geplaatst. De Brusselse meester-schrijnwerker Romain den Plasch installeerde in 1548 een nieuw eiken koorgestoelte met 52 plaatsen. De muren van de abdijkerk werden bekleed met kunstige wandtapijten van de Brusselse borduurwerker Bloemen.

In de zeventiende en achttiende eeuw kwam de abdij van Park tot grote bloei, onder leiding van een aantal sterke en invloedrijke abten. Hun beleid weerspiegelde zich ook in de architecturale kracht en de verfijnde interieurafwerking van de abdijgebouwen en in het rijke kunst- en cultuurpatrimonium. In functie van de vernieuwde liturgie liet abt Johannes Drusius (1601-1634) het koor van de abdijkerk in 1629 vergroten. Grotere ramen zorgden voor een rijkere lichtinval. In het nieuwe koor kwam een somptueus barokaltaar. De kerk kreeg een nieuw orgel, twee kostbare reliekschrijnen en een zware koperen kandelaar, gegoten door Jan Cauthals uit Mechelen. Jan-Baptist Lehavel leverde in 1610 een altaarstuk met beschilderde luiken voor één van de altaren in de abdijkerk. Er werd ook heel wat liturgisch zilverwerk aangekocht. Bij de Antwerpse goudsmid Abraham Linsau werd een zilveren lavaboschotel besteld, met de voorstelling van Pilatus, die zich de handen wast. Ze wordt vandaag nog in de abdij bewaard.Refter en kapittelzaal werden bekleed met fraai eikenhouten paneelwerk.

Abt Jan Masius (1635-1647) zette de bouwactiviteiten voort met de herbouw in 1637 van de drie armen van het kloosterpand. Voor het vernieuwd en vervolledigd kloosterpand bestelde prelaat Masius bij de bekende glasschilder Jan de Caumont 41 gebrandschilderde ramen met taferelen uit het leven van Norbertus. De kerkschat van de abdij werd verrijkt met een vergulde monstrans van de Brusselse goudsmid Joachim De Meyer en met kostbare koorkappen van borduurwerker Van der Baren, eveneens uit Brussel. In de kerk werd een nieuwe preekstoel 32 De abdij van Park in Heverlee geplaatst. Abt Masius bracht ook hulde aan ZIJn voorgangers door het aanleggen van een portrettengalerij van de prelaten van Park, een traditie die tot in de twintigste eeuw werd voortgezet.

Abt Libert de Pape (1648-1682) gold wellicht als één van de grootste prelaten van zijn tijd. Als administrator liet hij het hele goederenbezit van de abdij nauwkeurig in kaart brengen in meer dan twintig zorgvuldig getekende kaartboeken. Hij redigeerde de cartuiaria (registers van akten) van de abdij en bracht ordening aan in het eeuwenoude abdijarchief. Hij stelde een nieuw necrologium (lijst met de namen van de overledenen) op en schreef een abdijkroniek. Hij werd politiek gewaardeerd als lid van de Staten van Brabant en ook binnen zijn eigen abdij regeerde hij met het nodige gezag. Als bouwheer gaf hij het abdijcomplex een nieuw uitzicht met de heraanleg en herbouw van het hoevecomplex en de bouw van de grote tiendenschuur en met de aanpassing en uitbreiding van het gastenkwartier. Hij besteedde ook veel aandacht aan de inrichting van de conventsgebouwen en gaf de befaamde kalksnijder Jan Christiaan Hansche de bekende opdracht voor de decoraties in stucwerk van de refter en de biblitoheek. Het plafond van de vestibule van de prelatuur werd gewijd aan het thema van de tenhemelopneming van Maria, omringd door engelfiguren en vruchtenslingers.

Later, onder het abbatiaat van Paulus de Bruyn (1702-1719), zou deze refter nog feestelijker worden aangekleed met een nieuwe natuurstenen vloer, houten lambriseringen in marmerschildering en grote schilderijen van de franse schilder Duplessis. Voor de verdere aankleding van het interieur van de abdijkerk, de conventsgebouwen de prelatuur bestelde abt De Pape schilderijen bij de Antwerpse meester J.E. Quellinus en bij J. Cocxie in Mechelen. Zijn opvolger, abt Philippe van Tuycom deed in 1698 beroep op de Leuvense schilder Lambert Blendeff om in een groot allegorisch schilderij hulde te brengen aan de acht kanunniken van Park, die in 1687 aan de Leuvense universiteit waren gepromoveerd tot licentiaat in de godgeleerdheid.

Het is vooral onder prelaat Hieronymus De Waerseghere (1719-1730) en zijn directe opvolgers dat de abdij haar huidige rijke en statige uiterlijk kreeg, eigen aan de achttiende eeuw. Het abtskwartier werd toen verbouwd en aangepast. De nieuwe gevel, brede eretrap en het bijhorende bordes dateren uit deze periode. Ook de abdijkerk onderging een volledige transformatie. De oorspronkelijk romaanse benedenkerk werd opengebroken met grote bogen. Grote ramen in de zijbeuken lieten het daglicht rijkelijk binnenstromen. Er werd een nieuwe kerktoren gebouwd, die werd voorzien van een beiaard van veertig klokken, afkomstig uit het atelier van Andreas Van den Gheyn.

De Brusselse beeldhouwer Jacques Bergé werd belast met de nieuwe inrichting en aankleding van het koor. Hij ontwierp het nieuwe hoofdaltaar en bracht nieuwe houten lambrizeringen in marmerschildering aan. Aan de zuidzijde van het hoogkoor werd de abttroon geplaatst onder een groot baldakijn, bekroond met de personificatie van de kerk. Aan weerszijden van de troon werden de beelden geplaatst van Aaron en Melchisidek, de aartspriesters uit het oude testament. Aan de overkant liet de prelaat door de meester beeldhouwer een groot en indrukwekkend marmeren grafmonument oprichten voor de prelaten van de abdij.

Abt Alexander Slootmans (1730-1756) voltooide het werk van zijn voorganger en liet door diezelfde meester beeldhouwer Bergé een nieuwe en originele koorafsluiting maken, samengesteld uit twee biechtstoelen in zeldzame combinatie met een preekgestoelte en een reliekentribune en verbonden met een metalen koorhek. Er kwam een nieuw koorgestoelte, versierd met medaillons en een doksaal met orgel. Ook de sacristie werd heringericht en door Bergé voorzien van een fraai gesneden lambrisering met ingewerkte schilderijen van de Mechelse schilder Egidius Smeyers en vier oudere paneeltjes uit het laatste kwart van de zestiende eeuw met de voorstelling van de vier evangelisten uit het atelier van Frans Floris. Egidius Smeyers leverde ook drie schilderijen voor de kapittelzaal met taferelen uit het leven van Norbertus.

Abt Franciscus Generé (1762-1778) trok de befaamde historieschilder Pieter Jozef Verhaghen uit Aarschot aan voor de levering van enkele monumentale schilderijen voor de kapittelzaal en van tien grote doeken met taferelen uit het leven van Jezus en van ordestichter Norbertus voor de abdijkerk.

DE KUNSTCOLLECIE IN DE FRANSE TIJD

Na de machtsovername door de Fransen werd het klooster in 1795 ingericht als militair hoofdkwartier. Vrezend voor wat komen ging, probeerden enkele kanunniken tevergeefs enkele kostbaarheden naar Duitsland te smokkelen. Abt Melchior Nijsmans (1793-1810) slaagde er wel in verschillende stukken zilverwerk in veiligheid te brengen bij een jood in Amsterdam.

De vierenvijftig Parkheren werden op 1 februari 1797 door militairen uit hun abdij gejaagd en zochten een onderkomen in de verschillende universiteitscolleges in Leuven, in de oude parochies van de abdij of bij hun familie .

De abdijgebouwen werden openbaar verkocht op 16 maart 1797 maar konden via een vertrouwensman door een aantal leden van de abdijgemeenschap worden verworven. Ook een groot deel van de inboedel ging onder de hamer. De attente en vooruitziende kanunniken konden evenwel een deel kunstwerken hiervoor behoeden door ze vooraf te verbergen voor de centrale administratie. Op de veiling werden overigens heel wat stukken door hen of door bevriende burgers opnieuw opgekocht. Verschillende Parkheren keerden terug naar de abdij en leefden er clandestien in gemeenschap.

De erkenning in 1803 van de oude abdijkerk als parochiekerk wakkerde opnieuw de hoop aan het religieuze leven in de abdijgebouwen te kunnen hernemen. De politieke omstandigheden waren echter niet gunstig. Door de langdurige onzekerheid over de mogelijke heroprichting van een volwaardige abdijgemeenschap ontstonden spanningen en onenigheid in de steeds kleiner wordende gemeenschap.

Sommigen verlieten de abdij en eisten hun erfdeel op. Bij de overgebleven groep trad steeds grotere moedeloosheid op en gingen steeds meer stemmen op om alles ten gelde te maken. Toch hield het geloof in het herstel van het kloosterleven stand. De gemeenschap verkeerde echter in zware geldnood en zag zich genoodzaakt een belangrijk deel van het kunstbezit te verkopen.

In 1828 werden aan de Brusselse scheepsreder Dansaert vele kostbaarheden van de abdij verkocht, waaronder verschillende schilderijen en heel wat meubilair. Ook de befaamde brandglasramen van Jean De Caumont uit het kloosterpand kwamen in de handen van de rijke scheepsreder en raakten sindsdien verspreid over de hele wereld. Veel pijnlijker nog was de beslissing om ook de oude en unieke boeken- en handschriftencollectie van de abdij te gelde te maken. Op 27 oktober 1829 werden 327 kostbare handschriften en meer dan duizend boeken uit de bibliotheekcollectie van de abdij geveild. Een belangrijk deel van de handschriftencollectie kwam uiteindelijk terecht in de collecties van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Een aantal boeken keerde later door aankoop of schenking terug naar de abdijbibliotheek. Met de Belgische onafhankelijkheid en de proclamatie van de Belgische grondwet openden zich nieuwe perspectieven.

DE KUNSTCOLLECTIE NA DE TWEEDE STICHTING IN 1836

Op 11 juli 1836 las superior Pierre Ottoy (1836-1840) in de kapittelzaal, in aanwezigheid van elf kanunniken, het decreet van de heroprichting van de abdij voor. De nieuwe overste spande zich in om de abdijkerk en de conventsgebouwen, die heel wat schade hadden geleden, te herstellen en de bibliotheek en bibliotheekcollectie her op te bouwen. Hij liet ook zijn persoonlijke collectie schilderijen na, die hij via aankoop ook uit andere oude kloostercollecties had weten te verwerven.

Het beleid van zijn opvolgers stond eveneens in het teken van de restauratie van de abdijgebouwen en het herstel van het religieuze gemeenschapsleven. In 1872 verleende Paus Pius IX aan de abdij van Park het privilegie om opnieuw abten als overste van de abdij aan te stellen. Superior Aloysius Franck werd zo de eerste abt van de heropgerichte abdij van Park.

Tegen het einde van de negentiende eeuw kende de abdij een grote bloei. In die periode werd ook het kerkhof rond de abdijkerk aangelegd als een ‘campo santo’ in Leuven. In de twintigste eeuw bleef de abdij van grote oorlogsschade gespaard. De restauratie en het onderhoud van het abdijcomplex, sinds 1940 erkend als historisch monument, bleven evenwel een constante zorg.

Ook de bibliotheek- en kunstcollectie van de abdij groeide verder aan onder de krachtige impuls van de opeenvolgende abten. Belangrijke kunstwerken werden verworven uit de kunstverzamelingen van de medebroeders Romain De Pauw (+1957) en Robert Coelmont (+1960).

Vandaag herbergt de abdij een collectie van meer dan 1.200 schilderijen en andere kunstvoorwerpen. Het uitzonderlijk rijke prentenkabinet telt ongeveer 3.000 inventarisnummers. Beide collecties werden in 2005 en 2007 in opdracht van het Museum Parkabdij door het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur geïnventariseerd en digitaal geregistreerd.

Van de oorspronkelijke historische kerncollectie uit het Ancien Ré­gime is ten gevolge van de inbeslagnames, de verkoop, roof en zelfs vernieling, een eerder beperkt, maar toch belangrijk en representatief deel in de abdijcollectie bewaard gebleven. Verschillende stukken werden pas later in de loop van de negentiende en twintigste eeuw uit andere collecties of via de kunsthandel verworven.

Tot de merkwaardigste stukken behoren ongetwijfeld de Antwerpse kunstkabinetten uit de zeventiende eeuw, de pronkkast in notelaar van prelaat Libert de Pape, het meesterlijk geborduurde antependium, in 1656 vervaardigd in het Brusselse borduuratelier van Hendrik Geerts, het paneel met de voorstelling van de H. Hiëronymus in zijn studievertrek van een onbekend Zuidnederlandse meester uit 1509, de vier panelen met de vier evangelisten uit het atelier van de Antwerpse grootmeester Frans Floris, het stemmingsvolle doek met de Aanbidding door de herders, toegeschreven aan de Brusselse meester Theodoor van Loon, het monumentale altaarstuk van de hand van de Brusselse meester Philippe De Champaigne, met de voorstelling van Norbertus, die het ordekleed omvangt van Maria, de grote collectie zilveren kroezen (zeventiende – twintigste eeuw) van de Parkse witheren en uiteraard de belangrijke serie schilderijen van de achttiende-eeuwse schilder Pieter Jozef Verhaghen.

Een belangrijk deel van dit waardevolle abdijpatrimonium wordt vandaag via een langdurig bruikleen aan het beheer van het Museum Parkabdij toevertrouwd, om het voor publiek te ontsluiten en te duiden. De bibliotheekcollectie omvat een tiental middeleeuwse handschriften en meer dan 4.000 oude boeken, gedrukt tussen 1470 en 1830. De catalogus van het oude boekenbestand werd tussen 1990 en 2005 op initiatief van de Vrienden van de Abdij van Park ingevoerd in de elektronische bibliotheeksysteem Libis van de K.U.Leuven en verschijnt eerlang in boekvorm.

Van alle erfgoedcollecties van de abdij van Park is het abdijarchief doorheen de tijden wellicht het best bewaard gebleven. Het werd in de Franse tijd door de kanunniken in veiligheid gebracht en keerde naar de abdij terug na de heroprichting in 1836. Het wordt nog steeds ter plaatse bewaard. Het oudste stuk is de perkamenten stichtingsoorkonde uit 1129. Het abdijarchief is het papieren en perkamenten geheugen van meer dan negen eeuwen abdijleven. Het bevat meer dan 80 meter oude bescheiden, zoals oorkonden, rekeningen, briefwisseling, kaartboeken, cartularia, processtukken, cijns- en leenregisters enz.

Het Museum Abdij van Park neemt de uitdaging aan om in de komende jaren het museale verhaal van het religieuze leven in Vlaanderen met behulp van collectiesrukken uit de Abdij van Park maar ook uit andere kerkelijke en religieuze instellingen in Vlaanderen verder uit te bouwen en te groeien naar een nationaal museum voor religieuze kunst en cultuur in Vlaanderen.


HET MUSEUM OPENT DE DEUREN

HET GERESTAUREERDE SPREEKHUIS

Aan de westkant van het klooster op het kerkhof en grenzend aan de kerk staat het spreekhuis. Het dateert uit 1718 en werd gebouwd in opdracht van abt Paul de Bruyn. Het is langs de achterkant verbonden met de romaanse muren van de abdijkerk. Aan de rechterkant grenst het aan het abtskwartier van het klooster. De stijl van het gebouw sluit aan bij de laatbarokke bouw fase, die de abdij in de achttiende eeuw haar huidig uitzicht gaf.

Het spreekhuis verving een kleiner gebouw uit de zeventiende eeuw. Een deel van de trap van de vroegere beiaardtoren uit de vijftiende eeuw werd in het nieuwe spreekhuis geïntegreerd.

In de negentiende en twintigste eeuw werd dit gebouw gebruikt als woning en als pastorie voor de bedienaar van de parochie van Sint-Jan-de-Evangelist. Tot in 1998 werd de parochiekerk van Park-Heverlee bediend door een witheer van de abdij.

HET EERSTE LOCUTORIUM

Tijdens het Ancien Regime waren de gebouwen van het klooster uitsluitend voorbehouden voor de norbertijnen. Bezoekers klopten aan bij het locutorium conventus of het spreekhuys.

In februari 2007 startte in opdracht van de vzw Abdij van Park de restauratie van het spreekhuis. Vooral de realisatie van een volledig nieuw uitgegraven kelder onder het gebouw leverde interessante archeologische gegevens op. De oudste teruggevonden resten behoorden tot een gebouw met hoektoren uit de late middeleeuwen Dit gebouw had funderingen van een meter dik en was acht meter lang en vijf meter breed. Rechts kwam het tot tegen de hoek van het westelijk kloosterpand. Het grensde dus niet aan de abdijkerk. De hoektoren had een grondplan van 3 x 3 m. In de funderingsmassieven werden ijzerzandsteen, Balegemse steen en baksteen teruggevonden. Een relatieve datering van dit gebouw situeert het in de tweede helft van vijftiende eeuw. De dakconstructie van het westelijk kloosterpand, waartegen het gebouw was aangebouwd, dateert uit 1448.

Einde zestiende eeuw verdween dit gebouw uit de late middeleeuwen. Op de gravure van Gramaye uit 1606 komt het al niet meer voor. Dezelfde gravure toont een pad dat westelijk georiënteerd van de westbouw van het klooster in de richting van de kerk liep. Opgravingen legden de resten van een kloostermuur (scheidingsmuur) met poortdoorgang bloot. Belangrijke delen van dit pad werden teruggevonden.

OPNIEUW EEN ONTHAALGEBOUW

Een andere gravure, ditmaal uit 1649, toont voor het eerst een gebouw op de plaats van het huidige spreekhuis. Dit vroeg-barokke gebouw was beduidend kleiner dan het gebouw van vandaag en telde twee bouwlagen met telkens één kruisvenster per bouwlaag, het geheel afgewerkt met een topgevel met driehoekig fronton.

Het huidige spreekhuis werd opgetrokken in 1718 (bouwinscriptie boven de deur) en meet 22 m x 7,5 m. De verhoogde terrastuin van het abtskwartier, die aansluit bij de zuidgevel van het spreekbuis, dateert uit dezelfde periode. De gravure met zicht op de abdij van Park uit de heruitgave van 1726 van het bekende werk van Antonius Sanderus biedt een uitstekende weergave van deze bouwfase.

Sinds 1718 kende het bouwvolume en de gevels geen veranderingen meer. Het interieur werd nog wel aangepast. Circa 1900 kreeg het spreekhuis nieuwe binnenmuren, werden de trap, schouwen en vloer vervangen en werden verschillende vensteropeningen omwille van stabiliteitsproblemen dichtgemetseld. Ondanks deze drastische aanpassingen van het interieur bleven nog veel laatbarokke overblijfselen bewaard. De huidige restauratie herwaardeert deze laatbarokke bouwfase en reconstrueert de oorspronkelijke indeling van de ruimtes, de inplanting van de ramen en de eindafwerking. De bakstenen van de gevels zijn – overeenkomstig een op de noordgevel teruggevonden fragment uit 1718 – opnieuw gepleisterd in een baksteenrode tint, met wit voegpatroon. Recent materiaal-technisch onderzoek ondersteunt de diverse restauratieopties.

Had het spreekhuis in de negentiende en de twintigste eeuw andere functies dan krijgt het nu zijn historische rol van onthaalgebouw terug. De restauratie van het spreekhuis kadert in de gefaseerde restauratie van de kloostergebouwen van de abdij van Park. Het is er meteen de eerste fase van. Het spreekhuis functioneert niet alleen als onthaalgebouw maar ook als tentoonstellingsruimte.

Vanuit het gerestaureerde spreekhuis zullen de kerk, de westvleugel, de abtstuin en een grote ruime kelder onder het abtskwartier bereikbaar zijn. Een lift verzekert de latere noodzakelijke verbinding met de zolders van de abdij.


EPILOOG

CENTRUM VOOR RELIGIEUZE KUNST EN CULTUUR

Eind 1994 kwam in de Abdij van Park een werkgroep samen om na te denken over de toekomst van de abdij en de vormen van eventueel medegebruik of gedeeltelijke herbestemming van de gebouwen. Vrij snel werd het denkproces verruimd tot de problematiek van het gehele religieuze erfgoed in Vlaanderen, in het bijzonder dat van de kloosteren abdijgemeenschappen. Er stelt zich een structureel probleem door de vergrijzing van de steeds kleiner wordende kloostergemeenschappen. Het beheer en de – vaak zeer toegewijde – zorg voor het eigen patrimonium komen onder groeiende druk te staan. Binnen de werkgroep rijpte de idee om, met toestemming van het Vlaamse episcopaat en de hogere oversten van de religieuze gemeenschappen in Vlaanderen, een centrum op te richten dat zich over het religieus erfgoed zou ontfermen en dit in de Abdij van Park onder te brengen. Tevens werd nagedacht over de vestiging en uitbouw van een museum voor religieuze kunst en cultuur. Op 17 september 1997 werd het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur opgericht op gezamenlijk initiatief van de vijf Vlaamse bisdommen, de koepelverenigingen van de mannelijke en vrouwelijke religieuzen in Vlaanderen, de vereniging van Vlaamse norbertijnenabdijen en de Katholieke Universiteit Leuven. Het centrum kreeg onderdak in de norbertijnenabdij van Park en startte vanaf maart 1998 zijn werkzaamheden.

TWEE AFDELINGEN

Sinds maart 1998 is het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur actief als adviescentrum en aanspreekpunt voor het behoud, beheer en de valorisatie van het roerend religieus erfgoed in Vlaanderen en Brussel. Het CRKC telt twee afdelingen.

De afdeling Roerend Kerkelijk Erfgoed ontwikkelt belangrijke activiteiten op het vlak van de inventarisatie en het beheer van het roerend kunst- en cultuurpatrimonium van de religieuze instituten in Vlaanderen. Daarnaast voert deze afdeling ook het beheer over een centraal erfgoeddepot voor de opvang van bedreigde religieuze voorwerpen of collecties in afwachting en in functie van een gepaste museale of kerkelijke herbestemming. Via tentoonstellingen, publicaties en andere ontsluitings- en vormingsinitiatieven wordt ook gewerkt aan de valorisatie van dit kwetsbare erfgoed.

Het Forum Kerkelijke Archieven Vlaanderen is sinds 2004 actief op het terrein van het privaatrechtelijk kerkelijk archivalisch en bibliothecair erfgoed in Vlaanderen en Brussel. Het lokaliseert en registreert archiefbestanden en bibliotheekcollecties van parochies, kloosters en andere privaatrechtelijke kerkelijke instellingen. Het begeleidt en adviseert de lokale archiefbeheerders in het beheer; de ontsluiting en de valorisatie van deze collecties en biedt op dit vlak ook een ruim vorrningsaanbod.

CENTRALE ERFGOEDSITE

De problematiek van het behoud en het beheer van het religieus erfgoed in Vlaanderen blijft intussen onrustwekkend. De vergrijzing van de religieuze gemeenschappen en het progressief sluiten van bijhuizen van kloostergemeenschappen zetten zich vandaag nog sneller en sterker door: In de laatste tien jaar daalde het aantal religieuzen in Vlaanderen met meer dan een derde. Meer dan een kwart van de lokale kloosters en huizen van religieuzen werden in die periode opgeheven. De harde statistische cijfers tonen aan dat dit proces in de komende jaren nog zal versnellen. Op relatief korte termijn dreigt aldus een grote groep erfgoedbeheerders weg te vallen of op zijn minst te worden uitgedund.

Ook in de parochies is de weerslag van het priestertekort op het behoud en beheer van het lokale religieuze erfgoed voelbaar: De vraag naar professionele begeleiding wordt steeds groter; de roep naar meer opvangmogelijkheden van bedreigde collecties met de dag luider. Daarenboven is het religieuze erfgoed in de huidige geseculariseerde samenleving zeer kwetsbaar geworden. Een steeds grotere groep mensen is minder vertrouwd met de waarde, betekenis en functie van het religieuze erfgoed. Dat dreigt bloot te staan aan miskenning, verwaarlozing, misbruik of verval. Registratie, kennis- of betekenisoverdracht en sensibilisatie bl ijven prioritaire opdrachten voor de religieus erfgoedbeheerders van vandaag.

Het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur ontwikkelde de voorbije jaren een aantal opmerkelijke initiatieven op dit vlak. In samenwerking met de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen werd het project ‘religieus erfgoed on-line’ ontwikkeld. Het bevat twee instrumenten: de online CRKC-databank voor digitale registratie en het administratieve beheer van collecties van roerend religieus patrimonium en de website www.religieuserfgoed.be voor de educatieve ontsluiting van dit erfgoed en als portaalsite voor het behoud en beheer van dit erfgoed. Doel van het project is het roerend religieus erfgoed in Vlaanderen in kaart te brengen, een zorgvuldig behoud en beheer te bevorderen en via ontsluiting en i nformatie bij te dragen tot betekenis- en kennisoverdracht en tot de algehele valorisatie van het religieuze erfgoed. Archieven van de privaatrechtelijke kerkelijke instellingen worden sinds 2004 door het Forum Kerkelijke Archieven Vlaanderen op bestandsniveau in kaart gebracht. De gegevens hiervan worden ter beschikking gesteld via de website www.odis.be

Om de groeiende problematiek van het behoud en beheer van het religieuze erfgoed in Vlaanderen het hoofd te kunnen bieden, wordt het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur in de Abdij van Park verder uitgebouwd in de richting van een landelijk expertisecentrum voor het religieus erfgoed in Vlaanderen. Samen met de uitbouw van het landelijk museum voor religieuze kunst en cultuur en andere soortgel ijke erfgoedinitiatieven, profileert de Abdij van Park zich als de centrale erfgoedsite voor het religieus erfgoed in Vlaanderen.


PRAKTISCH


INFO

Museum Abdij van Park vzw 

Abdij van Park 7 

3001 Heverlee 

Tel.: 016/40 60 73

Fax.: 016/40 33 02

E-mail: museumparkabdij@skynet.be

OPEN VANAF 26 MAART 2009 

1 April – 30 September: 

  • Woensdag 10-17u 
  • Donderdag 10-17u 
  • Vrijdag 10-17u 
  • Zaterdag 10-17u (op afspraak)
  • Zondag 10-17u 
  • Maandag en Dinsdag: Gesloten 
  • Scholen kunnen langskomen op afspraak van dinsdag t.e.m. donderdag 

1 Oktober- 31 Maart: 

  • Vrijdag 10-17u 
  • Zaterdag 10-17u (op afspraak) 
  • Zondag 10-17u 
  • Maandag tot Donderdag: Gesloten 
  • Scholen kunnen langskomen op afspraak van dinsdag t.e.m. donderdag 

AUTEURS 

Jan Klinckaert (°1965) studeerde kunstgeschiedenis en oudheidkunde. Hij was gastconservator beeldhouwkunst in het Centraal Museum Utrecht (1995 -1997) en publiceerde werken over laatmiddeleeuwse beeldhouwkunst in de Nederlanden. Sinds maart 1998 verbonden aan en directeur van het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur vzw – Heverlee. 

Kristien Suenens (°1981) studeerde geschiedenis aan de K.U. Leuven en is momenteel als archivaris-consulent verbonden aan het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur. Ze doet onderzoek en publiceert over de jezuïeten en vrouwelijke religieuze instituten in België. 

Stefan Van Lani (°1970) studeerde moderne geschiedenis en archivistiek en is momenteel halftijds als archivaris verbonden aan de abdij van Park vzw en halftijds als medewerker aan het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur. Door het CRKC is hij gedetacheerd aan het Museum Abdij van Park vzw. Hij publiceerde onder meer over de abdij van Park, over instellings- en landschapsgeschiedenis. 


SELECTIEVE LITERATUURLIJST 

  • Baisier, C. Van Lani, S. Met zicht op de abdij: iconografie van de abdij van Park. Leuven, 2003. 
  • Beyen, S. en N uytten, D. De tuinpaviljoentjes van de Parkabdij in Heverlee. In Monumenten, Landschappen & Archeologie, 27/3, mei-juni 2008. 
  • Bergé, W. Jacques Bergé, Brussels beeldhouwer, 1696-1756. Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Brussel, 1986. 
  • De glans van Prémontré. Oude kunst uit witherenabdijen der Lage Landen. Tentoonstellings-catalogus. Abdij van Park- Heverlee, 15 september – 11 november 1973. 
  • D’Haenens, A. Abbaye de Parc à Heverlee. In Manasticon belge. Luik, 1 969, deel IV (vol .3), p. 773-827. 
  • Gedenkboek Orde van Prémontré. 1121-1971. Averbode, 1971. 
  • Jansen, J.E. L’abbaye norbertine du Parc-le-Duc. Huit siècles d’existence, 1129-1929. Mechelen, 1929. 
  • Janssen, L. Abdij van Park. Glasramencyclus H. Norbertus. Heverlee, 2007. 
  • Sanderus, A. Chorographiae sacrae Brabantiae Brussel, 1659. 
  • Sanderus, A. Chorographiae sacrae Brabantiae. Brussel, 1729. 
  • Smeyers, M. De abdij van Park. 850 jaar premonstratenzerleven. Leuven, 1979. 
  • Studiebureau Monumentenzorg. Het archeologisch onderzoek in het locutorium van de abdij van Park (Heverlee). Tessenderlo, 2007-2008. 
  • Thieme, U., Becker, F. Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler von der antike bis zur Gegenwart. Heruitgave door H. Vollmer. Leipzig, 1999, 43 delen. 
  • Van Ermen E., Vanhove L. en Van Lani S. Het kaartboek van de abdij van Park. 1665. Brussel, 2000. 
  • Vanhemelryck, F. (ed.). Aspecten van de kerkelijke geschiedenis van het hertogdom Brabant. Brussel, 2002. 
  • Van Lani S. Abdij van Park. Pachthoeven en landbouwdomein. Brussel, 1999. 
  • Van Lani S. De norbertijnenabdij van Park. Unieke erfgoedsite in de Leuvense stadsrand. S. l ., 2007. 
  • Van Vaeck, M. Beelden van omhoog. Hansches 17de-eeuwse plafonddecoraties in stucwerk in de kastelen van Horst, Modave en Beaulieu en in het Gentse brouwershuis. Overdruk Monumenten en Landschappen, 16de jaargang, nr. 5, september-oktober 1997. 
  • Verrees, W. Abdij van ’t Park – Heverlee. Historisch overzicht en bezoek aan de abdij. Leuven, 1970.